Al geruime tijd is de Europese wetgever bezig met het opstellen van nieuwe regels op het gebied van het auteursrecht. Deze regels zijn neergelegd in de Richtlijn inzake auteursrechten in de Digitale Eengemaakte Markt (de “DSM-Richtlijn”). Over de inhoud van de DSM-Richtlijn is op 13 februari 2019 een Europees akkoord tot stand gekomen, waar het Europees Parlement vervolgens op 26 maart 2019 mee akkoord is gegaan (het “Definitieve Voorstel“). Dit betekent dat er nu een voorstel voor de DSM-Richtlijn ligt dat, na instemming door de Raad van Ministers, op termijn geïmplementeerd zal moeten worden in Nederland. De tekst waar het Europees Parlement mee heeft ingestemd is online beschikbaar. In het Definitieve Voorstel zijn de meest controversiële artikelen uit de DSM-Richtlijn, artikel 15 (voorheen artikel 11)  en  artikel 17 (voorheen artikel 13), gehandhaafd. Hieronder volgt een bespreking van de inhoud van deze artikelen, zoals die blijkt uit het Definitieve Voorstel.

 

Artikel 15: Een naburig recht voor uitgevers van perspublicaties (voorheen artikel 11)

Uit artikel 15 van het Definitieve Voorstel volgt dat de lidstaten ervoor moeten zorgen dat Europese uitgevers van perspublicaties gedurende 2 jaar na publicatie van een perspublicatie het recht hebben het online kopiëren en publiceren van die perspublicatie door ‘verleners van diensten van de informatiemaatschappij’ te verbieden, wanneer deze dienstverleners daarvoor geen toestemming hebben. Daarmee kunnen de persuitgevers deze handelingen afhankelijk maken van hun toestemming, waardoor zij vergoedingen kunnen vragen voor het online gebruik van hun perspublicaties.

Het Definitieve Voorstel geeft aan dat onder de term ‘perspublicatie’ alleen journalistieke publicaties worden begrepen, die zijn gepubliceerd in de context van een economische activiteit van de uitgever. Hieronder vallen doorgaans publicaties in kranten, in magazines en op nieuwswebsites. Bij de ‘verleners van diensten van de informatiemaatschappij’ gaat het kortgezegd om (i) alle partijen die tegen vergoeding een elektronische dienst aanbieden en die geen radio-omroepdienst of televisieomroepdienst aanbieden en (ii) alle partijen die online informatie verschaffen. Onder dit begrip vallen ontelbare internetbedrijven, waaronder Google, Facebook en NU.nl.

Artikel 15 maakt verder duidelijk dat het persuitgeversrecht zich enkel richt tot handelingen van internetbedrijven, en niet tot niet-commerciële gebruiken door natuurlijke personen. Ook geldt het persuitgeversrecht niet voor hyperlink-handelingen, waardoor het gebruiken, kopiëren en publiceren van hyperlinks naar perspublicaties mogelijk blijft. Lid 1 maakt verder duidelijk dat het uitgeversrecht niet ziet op het gebruiken of publiceren van individuele woorden of ‘zeer korte uittreksels’ uit de perspublicatie. Daarnaast blijkt uit lid 3 dat gebruiken van perspublicaties uitgezonderd kunnen worden van het uitgeversrecht op grond van de beperkingen die gelden voor het auteursrecht. Tot slot bepaalt lid 4a dat de lidstaten ervoor moeten zorgen dat de makers van werken die zijn opgenomen in een perspublicatie een passend deel van de opbrengsten ontvangen, die de uitgever krijgt op grond van het persuitgeversrecht.

Artikel 15 van het Definitieve Voorstelzorgt ervoor dat bedrijven zoals Google News of NU.nl geen perspublicaties, waarvan zij niet de uitgever zijn, mogen kopiëren of publiceren zonder de toestemming van de uitgever. Zij zullen daarom (financiële) afspraken moeten maken met de uitgever om die werken te kunnen gebruiken. De persuitgever is op diens beurt weer verplicht om de opbrengsten, die hij als uitgever van het artikel ontvangt, eerlijk te delen met de rechthebbenden op de inhoud van de perspublicaties, zoals journalisten en fotografen.

Het uitgeversrecht, geïntroduceerd door artikel 15 was eerder zeer omstreden omdat zij ook bescherming bood tegen hyperlinks (waardoor een soort hyperlinkbelasting zou ontstaan) en handelingen door natuurlijke personen (waardoor privépersonen zouden moeten opletten met het online delen van perspublicaties). Deze handelingen vallen inmiddels niet meer onder de reikwijdte van het uitgeversrecht. Hierdoor is het uitgeversrecht minder controversieel geworden. Desalniettemin is het de vraag of het uitgeversrecht het gewenste effect zal bereiken. Soortgelijke uitgeversrechten zijn reeds in Duitsland en Spanje geïntroduceerd, maar daar is gebleken dat de rechten een zeer negatief effect hebben op de bezoekersaantallen van de websites waarop perspublicaties staan. Dit komt doordat het uitgeversrecht eraan in de weg staat dat bedrijven zoals Google News linken naar en onderdelen (zoals de publicatietitel) overnemen uit perspublicaties. De negatieve impact op het aantal bezoekers heeft veel uitgevers in die landen ertoe aangezet dat zij gratis licenties verstrekken aan bedrijven als Google News om zo hun bezoekersaantallen op peil te houden. In de praktijk zal moeten blijken of het uitgeversrecht uit artikel 15 effectief zal zijn.

 

Artikel 17: De verantwoordelijkheid van online platformen die user-generated content delen (voorheen artikel 13)

Artikel 17 van het Definitieve Voorstel bepaalt dat internetplatformen die gericht zijn op het online delen van content, een auteursrechtelijke openbaarmaking verrichten wanneer zij het publiek toegang geven tot auteursrechtelijk beschermde werken die zijn geüpload door hun gebruikers. Dit betekent dat online platformen zoals YouTube, Facebook en Reddit verantwoordelijk worden voor het materiaal dat hun gebruikers uploaden. Zij zijn derhalve verplicht om met rechthebbenden (financiële) afspraken te maken over het gebruik van hun werken. Tot op heden konden deze bedrijven doorgaans gebruik maken van een uitzondering uit een Europese Richtlijn (artikel 14 E-commercerichtlijn), waardoor zij onder bepaalde voorwaarden niet verantwoordelijk waren voor auteursrechtelijke inbreuken die verricht werden door hun gebruikers. Artikel 17 blokkeert een beroep op deze beperkte verantwoordelijkheid voor platformen die user-generated content delen.

De internetplatformen voor wie dit artikel geldt zijn: alle verleners van online diensten, wiens voornaamste doel (of één van diens voornaamste doelen) het is om een grote hoeveelheid auteursrechtelijk beschermde werken, die zijn geüpload door zijn gebruikers, op te slaan en daartoe toegang te verlenen, waarbij het uploaden wordt georganiseerd en wordt gestimuleerd door het platform.
Voor deze platformen bepaalt lid 4 dat als het platform geen toestemming van de auteursrechthebbende heeft en zijn gebruikers toch diens werken uploaden, het platform aansprakelijk is voor het ongeautoriseerde gebruik van de werken.

Het platform kan aan deze aansprakelijkheid slechts ontkomen indien hij:

  • zijn uiterste best heeft gedaan om toestemming te verkrijgen;
  • zijn uiterste best heeft gedaan om ervoor te zorgen dat de specifieke werken niet beschikbaar zouden worden voor het publiek en
  • voortvarend heeft gehandeld om het werk van zijn website te verwijderen of toegang daartoe te blokkeren, wanneer hij een klacht ontvangt van de auteursrechthebbende en hij zijn uiterste best heeft gedaan toekomstige uploads van het materiaal te voorkomen.

Dit betekent dat grote online platformen die gericht zijn op het delen van materiaal, zoals YouTube en Facebook zich in het vervolg intensiever moeten bezighouden met het monitoren van het materiaal dat hun gebruikers uploaden. Daarbij moeten zij proactief proberen toestemming te verkrijgen van auteursrechthebbenden en dienen zij hun uiterste best te doen om te voorkomen dat inbreukmakend materiaal wordt geüpload, toegankelijk blijft op hun platform en in de toekomst nogmaals wordt geüpload. Indien de platformen dit niet doen dan zijn zij volgens artikel 17 aansprakelijk voor de schade van de auteursrechthebbende.

Dit artikel was vóór het bereiken van het Definitieve Voorstel controversiëler dan dat het momenteel is, aangezien artikel 17 eerder niet duidelijk maakte dat het uploaden van auteursrechtelijk beschermde werken in lijn met de auteursrechtelijke excepties voor citaten, parodieën (waaronder memes), kritiek of beoordelingen buiten deze bepaling valt. Desalniettemin is artikel 17 nog steeds controversieel omdat het zeer lastig is voor platformen om hun uiterste best te doen om toestemming te krijgen voor de exploitatie van werken van alle makers waarvan hun werken mogelijkerwijs kunnen worden geüpload op hun platform, oftewel: alle werken in de wereld die uploadbaar zijn. Hoe de platformen aan deze verplichting invulling moeten geven is vooralsnog onduidelijk.

Artikel 17 blijft verder controversieel, omdat de verplichtingen van de platformen (lid 4) ertoe leiden dat zij uploadfilters moeten gebruiken om het uploaden van onrechtmatige content te voorkomen. Die uploadfilters kunnen in vele opzichten een beperking van de vrijheid van meningsuiting opleveren, omdat zij ervoor zorgen dat veel content niet meer geopenbaard kan worden. Ook zouden die filters ervoor kunnen zorgen dat content die in principe rechtmatig is geüpload, als onrechtmatig wordt bestempeld, waardoor het niet wordt geüpload. Dergelijke filters zijn immers niet perfect en kunnen in sommige gevallen slechts in beperkte mate onderscheid maken tussen rechtmatige content (bijvoorbeeld een tekst die onder de citaatexceptie valt) en onrechtmatige content. Omdat niemand gebaat is bij een systeem dat onterecht bepaalde content verwijderd of anderszins niet de balans bewaart tussen het auteursrecht en de vrijheid van meningsuiting en informatie, bepaalt lid 9 dat er best practices moeten worden vastgesteld over de manier waarop platformen kunnen voldoen aan hun verplichtingen. Deze ontwikkelingen moeten worden afgewacht om te kunnen beoordelen of artikel 17 een gebalanceerde verplichting vormt.

 

Vervolg

De Europese voorstellen voor artikelen 15 en 17 DSM-Richtlijn zijn het resultaat van veel politiek getouwtrek, hetgeen ook blijkt uit de omvang van de artikelen. Aangezien het Europees Parlement op 26 maart 2019 definitief over het DSM-Richtlijn voorstel heeft gestemd, ligt de defintieve versie van de DSM-Richtlijn inmiddels vast. De Europese Raad van Ministers moet echter nog wel instemmen met dit voorstel. De verwachting is dat zij deze instemming zullen verlenen. Na instemming krijgen de Lidstaten een periode van zo’n twee jaar om de DSM-Richtlijn te implementeren in hun nationale wetgeving.