Al geruime tijd is de Europese wetgever bezig met het opstellen van nieuwe regels op het gebied van het auteursrecht. Deze regels zijn neergelegd in de Richtlijn inzake auteursrechten in de Digitale Eengemaakte Markt (de “DSM-Richtlijn”). Over de inhoud van de DSM-Richtlijn is op 13 februari 2019 een Europees akkoord tot stand gekomen (het “Akkoord”). Dit betekent dat er nu een voorstel voor de DSM-Richtlijn ligt dat op Europees niveau waarschijnlijk binnenkort aangenomen zal worden en vervolgens geïmplementeerd moet worden in Nederland. Hoewel de tekst van het Akkoord nog niet officieel is gepubliceerd, zijn verschillende onofficiële versies online beschikbaar, zoals hier en hier. In het Akkoord zijn de meest controversiële artikelen uit de DSM-Richtlijn, artikelen 11 en 13, gehandhaafd. Hieronder volgt een bespreking van de inhoud van deze artikelen, zoals die blijkt uit het Akkoord.

 

Artikel 11: Een naburig recht voor uitgevers van perspublicaties

Uit artikel 11 van het Akkoord volgt dat de lidstaten ervoor moeten zorgen dat Europese uitgevers van perspublicaties gedurende 2 jaar na publicatie van een perspublicatie het recht hebben het online kopiëren en publiceren van die perspublicatie door ‘verleners van diensten van de informatiemaatschappij’ te verbieden, wanneer deze dienstverleners daarvoor geen toestemming hebben. Daarmee kunnen de persuitgevers deze handelingen afhankelijk maken van hun toestemming, waardoor zij vergoedingen kunnen vragen voor het online gebruik van hun perspublicaties.

Het Akkoord geeft aan dat onder de term ‘perspublicatie’ alleen journalistieke publicaties worden begrepen, die zijn gepubliceerd in de context van een economische activiteit van de uitgever. Hieronder vallen doorgaans publicaties in kranten, in magazines en op nieuwswebsites. Bij de ‘verleners van diensten van de informatiemaatschappij’ gaat het kortgezegd om (i) alle partijen die tegen vergoeding een elektronische dienst aanbieden en die geen radio-omroepdienst of televisieomroepdienst aanbieden en (ii) alle partijen die online informatie verschaffen. Onder dit begrip vallen ontelbare internetbedrijven, waaronder Google, Facebook en NU.nl.

Artikel 11 maakt verder duidelijk dat het persuitgeversrecht zich enkel richt tot handelingen van internetbedrijven, en niet tot niet-commerciële gebruiken door natuurlijke personen. Ook geldt het persuitgeversrecht niet voor hyperlink-handelingen, waardoor het gebruiken, kopiëren en publiceren van hyperlinks naar perspublicaties mogelijk blijft. Lid 1 maakt verder duidelijk dat het uitgeversrecht niet ziet op het gebruiken of publiceren van individuele woorden of ‘zeer korte uittreksels’ uit de perspublicatie. Daarnaast blijkt uit lid 3 dat gebruiken van perspublicaties uitgezonderd kunnen worden van het uitgeversrecht op grond van de beperkingen die gelden voor het auteursrecht. Tot slot bepaalt lid 4a dat de lidstaten ervoor moeten zorgen dat de makers van werken die zijn opgenomen in een perspublicatie een passend deel van de opbrengsten ontvangen, die de uitgever krijgt op grond van het persuitgeversrecht.

Artikel 11 van het Akkoord zorgt ervoor dat bedrijven zoals Google News of NU.nl geen perspublicaties, waarvan zij niet de uitgever zijn, mogen kopiëren of publiceren zonder de toestemming van de uitgever. Zij zullen daarom (financiële) afspraken moeten maken met de uitgever om die werken te kunnen gebruiken. De persuitgever is op diens beurt weer verplicht om de opbrengsten, die hij als uitgever van het artikel ontvangt, eerlijk te delen met de rechthebbenden op de inhoud van de perspublicaties, zoals journalisten en fotografen.

Het uitgeversrecht, geïntroduceerd door artikel 11 was eerder zeer omstreden omdat zij ook bescherming bood tegen hyperlinks (waardoor een soort hyperlinkbelasting zou ontstaan) en handelingen door natuurlijke personen (waardoor privépersonen zouden moeten opletten met het online delen van perspublicaties). Deze handelingen vallen inmiddels niet meer onder de reikwijdte van het uitgeversrecht. Hierdoor is het uitgeversrecht minder controversieel geworden. Desalniettemin is het de vraag of het uitgeversrecht het gewenste effect zal bereiken. Soortgelijke uitgeversrechten zijn reeds in Duitsland en Spanje geïntroduceerd, maar daar is gebleken dat de rechten een zeer negatief effect hebben op de bezoekersaantallen van de websites waarop perspublicaties staan. Dit komt doordat het uitgeversrecht eraan in de weg staat dat bedrijven zoals Google News linken naar en onderdelen (zoals de publicatietitel) overnemen uit perspublicaties. De negatieve impact op het aantal bezoekers heeft veel uitgevers in die landen ertoe aangezet dat zij gratis licenties verstrekken aan bedrijven als Google News om zo hun bezoekersaantallen op peil te houden. In de praktijk zal moeten blijken of het uitgeversrecht uit artikel 11 effectief zal zijn.

 

Artikel 13: De verantwoordelijkheid van online platformen die user-generated content delen

Artikel 13 van het Akkoord bepaalt dat internetplatformen die gericht zijn op het online delen van content, een auteursrechtelijke openbaarmaking verrichten wanneer zij het publiek toegang geven tot auteursrechtelijk beschermde werken die zijn geüpload door hun gebruikers. Dit betekent dat online platformen zoals YouTube, Facebook en Reddit verantwoordelijk worden voor het materiaal dat hun gebruikers uploaden. Zij zijn derhalve verplicht om met rechthebbenden (financiële) afspraken te maken over het gebruik van hun werken. Tot op heden konden deze bedrijven doorgaans gebruik maken van een uitzondering uit een Europese Richtlijn (artikel 14 E-commercerichtlijn), waardoor zij onder bepaalde voorwaarden niet verantwoordelijk waren voor auteursrechtelijke inbreuken die verricht werden door hun gebruikers. Artikel 13 blokkeert een beroep op deze beperkte verantwoordelijkheid voor platformen die user-generated content delen.

De internetplatformen voor wie dit artikel geldt zijn: alle verleners van online diensten, wiens voornaamste doel (of één van diens voornaamste doelen) het is om een grote hoeveelheid auteursrechtelijk beschermde werken, die zijn geüpload door zijn gebruikers, op te slaan en daartoe toegang te verlenen, waarbij het uploaden wordt georganiseerd en wordt gestimuleerd door het platform.
Voor deze platformen bepaalt lid 4 dat als het platform geen toestemming van de auteursrechthebbende heeft en zijn gebruikers toch diens werken uploaden, het platform aansprakelijk is voor het ongeautoriseerde gebruik van de werken.

Het platform kan aan deze aansprakelijkheid slechts ontkomen indien hij:

  • zijn uiterste best heeft gedaan om toestemming te verkrijgen;
  • zijn uiterste best heeft gedaan om ervoor te zorgen dat de specifieke werken niet beschikbaar zouden worden voor het publiek en
  • voortvarend heeft gehandeld om het werk van zijn website te verwijderen of toegang daartoe te blokkeren, wanneer hij een klacht ontvangt van de auteursrechthebbende en hij zijn uiterste best heeft gedaan toekomstige uploads van het materiaal te voorkomen.

Dit betekent dat grote online platformen die gericht zijn op het delen van materiaal, zoals YouTube en Facebook zich in het vervolg intensiever moeten bezighouden met het monitoren van het materiaal dat hun gebruikers uploaden. Daarbij moeten zij proactief proberen toestemming te verkrijgen van auteursrechthebbenden en dienen zij hun uiterste best te doen om te voorkomen dat inbreukmakend materiaal wordt geüpload, toegankelijk blijft op hun platform en in de toekomst nogmaals wordt geüpload. Indien de platformen dit niet doen dan zijn zij volgens artikel 13 aansprakelijk voor de schade van de auteursrechthebbende.

Dit artikel was vóór het bereiken van het Akkoord controversiëler dan dat het momenteel is, aangezien artikel 13 eerder niet duidelijk maakte dat het uploaden van auteursrechtelijk beschermde werken in lijn met de auteursrechtelijke excepties voor citaten, parodieën (waaronder memes), kritiek of beoordelingen buiten deze bepaling valt. Desalniettemin is artikel 13 nog steeds controversieel omdat het zeer lastig is voor platformen om hun uiterste best te doen om toestemming te krijgen voor de exploitatie van werken van alle makers waarvan hun werken mogelijkerwijs kunnen worden geüpload op hun platform, oftewel: alle werken in de wereld die uploadbaar zijn. Hoe de platformen aan deze verplichting invulling moeten geven is vooralsnog onduidelijk.

Artikel 13 blijft verder controversieel, omdat de verplichtingen van de platformen (lid 4) ertoe leiden dat zij uploadfilters moeten gebruiken om het uploaden van onrechtmatige content te voorkomen. Die uploadfilters kunnen in vele opzichten een beperking van de vrijheid van meningsuiting opleveren, omdat zij ervoor zorgen dat veel content niet meer geopenbaard kan worden. Ook zouden die filters ervoor kunnen zorgen dat content die in principe rechtmatig is geüpload, als onrechtmatig wordt bestempeld, waardoor het niet wordt geüpload. Dergelijke filters zijn immers niet perfect en kunnen in sommige gevallen slechts in beperkte mate onderscheid maken tussen rechtmatige content (bijvoorbeeld een tekst die onder de citaatexceptie valt) en onrechtmatige content. Omdat niemand gebaat is bij een systeem dat onterecht bepaalde content verwijderd of anderszins niet de balans bewaart tussen het auteursrecht en de vrijheid van meningsuiting en informatie, bepaalt lid 9 dat er best practices moeten worden vastgesteld over de manier waarop platformen kunnen voldoen aan hun verplichtingen. Deze ontwikkelingen moeten worden afgewacht om te kunnen beoordelen of artikel 13 een gebalanceerde verplichting vormt.

 

Vervolg

De Europese voorstellen voor artikelen 11 en 13 DSM-Richtlijn zijn het gevolg van veel politiek getouwtrek. De Raad van Europa en het Europees Parlement zullen in maart en april definitief over het Akkoord stemmen. Als deze partijen ervoor kiezen de huidige opzet van de artikelen te behouden, dan zullen de hierboven besproken artikelen onderdeel worden van de DSM-Richtlijn die op termijn in Nederland geïmplementeerd zal moeten worden.