Al vele jaren bestaat de vraag in hoeverre het auteursrecht begrensd kan worden door fundamentele grondrechten, zoals de vrijheid van informatie en de uitingsvrijheid. Over deze vraag heeft Advocaat-Generaal Szpunar van het Europese Hof van Justitie (HvJ) zich recentelijk uitgelaten in zijn conclusie in de zaak Spiegel Online/Beck (A-G HvJ 10 januari 2019, ECLI:EU:C:2019:16). Als zijn conclusie gevolgd zou worden door het Hof dan zal dit grote consequenties hebben voor de mogelijkheden om het auteursrecht te beperken. 

 

Achtergrond van de procedure

Beck was van 1994 tot 2017 lid van de Tweede kamer van het Duitse parlement. Hij is tevens auteur van een artikel over controversiële kwesties omtrent bepaalde strafrechtelijk beleidstukken, dat gepubliceerd is in een bundeling van artikelen. De voor deze bundel verantwoordelijke uitgever heeft de titel van Beck’s artikel gewijzigd en heeft het artikel op enkele punten aangepast. De beperkte wijzigingen die de uitgever had aangebracht betroffen een wijziging van de titel en de inkorting van één zin. Hoewel Beck zich hierover destijds heeft beklaagd bij de uitgever, is de gewijzigde vorm van het artikel gepubliceerd in 1988. Het originele artikel is in 2013 opgedoken in een Duits archief en Beck heeft dat artikel aan verschillende krantenredacties toegestuurd als bewijs dat het artikel in de bundel een gewijzigde versie was. Hij heeft de krantenredacties geen toestemming verleend om de teksten te publiceren. Spiegel Online, het bedrijf dat de Duitse krant Der Spiegel online aanbiedt, heeft in september 2013 een artikel gepubliceerd waarin zij stelde dat Beck het publiek jarenlang had misleid, omdat de inhoud van zijn artikel ongewijzigd was gebleven. Tezamen met het artikel publiceerde Spiegel Online hyperlinks naar webpagina’s op hun website waar de originele versies van het artikel en het in de bundel gepubliceerde artikel gedownload kunnen worden. Beck stelt dat het beschikbaar stellen van de artikelen op de website van Spiegel Online een inbreuk oplevert op zijn auteursrecht op de artikelen. De zaak komt uiteindelijk terecht bij het Bundesgerichtshof die enkele prejudiciële vragen stelt aan het HvJ over de reikwijdte van het auteursrecht onder de Europese auteursrechtrichtlijn. 

 

Conclusie HvJEU A-G Szpunar

De meest belangrijke prejudiciële vragen komen er in wezen op neer of de nationale wetgever discretionaire ruimte heeft bij omzetting van de auteursrechtbeperkingen uit de auteursrechtrichtlijn, welke rol de grondrechten spelen bij de bepaling van de reikwijdte van die beperkingen en of de informatievrijheid en persvrijheid gebruikt kunnen worden als uitzonderingen op het auteursrecht, hoewel zij niet zijn opgenomen in de auteursrechtrichtlijn. 

De A-G concludeert allereerst dat de lidstaten op basis van de Auteursrechtrichtlijn verplicht zijn om de auteursrechtelijke exploitatierechten (om te reproduceren, te distribueren en ter beschikking te stellen) van rechthebbenden voldoende te waarborgen. Die rechten kunnen volgens hem enkel beperkt worden door auteursrechtbeperkingen die zijn opgenomen in de Auteursrechtrichtlijn (het zogenoemde ‘gesloten stelsel van auteursrechtbeperkingen’). De lidstaten hebben bij implementatie van die beperkingen wel enige discretionaire bevoegdheid, maar enkel in de keuze van de middelen die zij passend achten om de exploitatierechten van de rechthebbenden voldoende te waarborgen. 

Ten aanzien van de betekenis van de grondrechten binnen het auteursrecht overweegt de A-G dat de Auteursrechtrichtlijn al grenzen en beperkingen van het auteursrecht bevat, die bedoeld zijn om de exclusieve exploitatierechten in overeenstemming te brengen met fundamentele rechten. De A-G stelt dat daarom de keuzen die gemaakt zijn door de wetgever in principe moeten worden gerespecteerd en het gesloten stelsel in principe niet kan worden doorbroken door fundamentele rechten. De keuzen zijn namelijk het resultaat van een afweging van fundamentele rechten, meer specifiek het fundamentele recht op (intellectuele) eigendom (artikel 17 Handvest) tegenover de fundamentele rechten van anderen (meningsuiting, informatievrijheid etc.). Volgens de A-G heeft de wetgever bij het verrichten van deze belangenafweging een zekere mate van beoordelingsmarge, waarbij de rechter enkel hoeft in te grijpen wanneer sprake is van een schending van de ‘wezenlijke inhoud van een grondrecht’.

Een andere conclusie zou volgens de A-G leiden tot een afbreuk van de effectiviteit van het auteursrecht, aangezien bij praktisch elk gebruik dat strijdig is met het auteursrecht de vrijheid van meningsuiting kan worden ingeroepen ter rechtvaardiging van dat handelen. De begrenzing van de vrijheid van meningsuiting is volgens de A-G geoorloofd omdat zij voortvloeit uit de bescherming van een ander grondrecht, namelijk de bescherming van (intellectuele) eigendom. De afwegingen die tussen deze grondrechten moet plaatsvinden, wordt volgens de A-G in beginsel door de wetgever worden verricht. 

De A-G concludeert dat Beck gegronde redenen had zich te beschermen aan de hand van zijn auteursrecht en dat hier geen sprake is van een schending van de wezenlijke inhoud van het grondrecht. Daarom komt in dit geval Spiegel Online geen beroep toe op de vrijheid van meningsuiting ter rechtvaardiging van de auteursrechtinbreuk. 

 

Bespreking

Deze conclusie geeft een antwoord op een vraag die al lange tijd bestaat: kunnen fundamentele rechten worden ingeroepen als rechtvaardiging voor auteursrechtinbreuken. De A-G is stellig in zijn conclusie: Nee, dat kan niet, tenzij sprake is van een schending van ‘de wezenlijke inhoud van een grondrecht’. Wanneer precies sprake is van zo’n schending maakt de A-G niet duidelijk.  Het uitgangspunt is echter wel duidelijk: er bestaan in principe geen andere uitzonderingen op het auteursrecht dan de uitzonderingen uit de Auteursrechtrichtlijn. Daarmee handhaaft de A-G het gesloten stelsel van beperkingen en gooit hij de deur dicht voor een Europese variant op de Amerikaanse ‘fair use’ beperking. Dit is een ruime auteursrechtbeperking die erop neerkomt dat per geval beoordeeld moet worden of, gelet op alle omstandigheden, sprake is van ‘eerlijk gebruik’ van een werk. De A-G wijst die mogelijkheid af met een beroep op de effectieve bescherming, omdat volgens hem een dergelijke bepaling de rechten van auteurs ‘afhankelijk maakt van de mate waarin de rechters van elk van de lidstaten gevoelig zijn voor de vrijheid van meningsuiting’. De A-G kiest daarmee voor duidelijkheid en zekerheid in plaats van op maat gesneden oplossingen en flexibiliteit binnen het auteursrecht. Hoewel voor beide kanten veel te zeggen valt, is duidelijk dat de A-G slechts beperkte ruimte ziet voor het gebruik van grondrechten ter beperking van het auteursrecht door de rechter. Of het Hof de conclusie van de A-G zal volgen, zal moeten blijken in het arrest dat het Hof later dit jaar zal wijzen.