Inleiding

De afgelopen jaren is er veel discussie over de rol die de hyperlink speelt in verschillende rechtsgebieden. Rechters hebben bijvoorbeeld bepaald dat het plaatsen van een hyperlink die verwijst naar een webpagina waarop content staat die inbreuk maakt op het auteursrecht, onder omstandigheden een auteursrechtinbreuk oplevert (zie de HvJEU-arresten Svensson en GS Media) en dat een hyperlinker strafrechtelijk veroordeeld kan worden als hij linkt naar opruiende berichten (Rb. Rotterdam, ECLI:NL:RBROT:2007:BB7174). Daarentegen bestaat in Nederland weinig duidelijkheid over de vraag of het plaatsen van een hyperlink naar een webpagina waarop onrechtmatige uitlatingen worden gedaan op zichzelf beschouwd moet worden als een onrechtmatige handeling. Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) heeft in het arrest Magyar Jeti/Hongarije geprobeerd meer duidelijk te scheppen over de omstandigheden die moeten worden meegewogen bij de beoordeling of het plaatsen van een hyperlink naar onrechtmatige uitlatingen een onrechtmatige daad vormt. In deze blog wordt besproken hoe dit arrest zich verhoudt tot de Nederlandse jurisprudentie over het (on)rechtmatige karakter van de hyperlink.

Nederlandse rechtspraak

In de Nederlandse rechtspraak komt het (on)rechtmatige karakter van een hyperlink voornamelijk aan bod in auteursrechtelijke kwesties waarin partijen hyperlinks hebben gepubliceerd naar webpagina’s waarop content is opgenomen die een auteursrechtinbreuk vormt. Er zijn echter ook enkele uitspraken gedaan waarin het onrechtmatige karakter van de hyperlink niet is gelegen in een auteursrechtinbreuk. De belangrijkste uitspraak in dit verband is de zaak Deutsche Bahn/Indymedia (Rb. Amsterdam 20 juni 2002, ECLI:NL:RBAMS:2002:AE4427). Daarin ging het om het feit dat gebruikers van de nieuwswebsite Indymedia hyperlinks hadden geplaatst naar een webpagina waarop beschrijvingen stonden van manieren om het treinverkeer van de Deutsche Bahn te stoppen, vertragen en saboteren. De rechter had eerder geoordeeld dat deze beschrijvingen onrechtmatig waren jegens Deutsche Bahn. In de procedure tegen Indymedia stelde Deutsche Bahn zich op het standpunt dat Indymedia onrechtmatig jegens haar handelde doordat zij weigerde de hyperlinks naar de beschrijvingen te verwijderen of onklaar te maken. De rechtbank gaf Deutsche Bahn gelijk nu Indymedia de hyperlinks niet wilde verwijderen terwijl zij wist dat de artikelen onrechtmatig waren. Daarbij was doorslaggevend dat Indymedia, hoewel zij de informatie niet tot haar eigen informatie had gemaakt, het technisch mogelijk maakt voor het publiek om de information te bereiken.

Meer recent heeft de Rechtbank Amsterdam geoordeeld in de zaak Paay/GeenStijl (Rb. Amsterdam 25 juli 2018, ECLI:NL:RBAMS:2018:5130) dat het plaatsen van een zogenaamde ‘embedded hyperlink’ naar een webpagina waarop een video van seksueel getinte aard -die zonder toestemming was gepubliceerd- te zien is eveneens een onrechtmatige daad kan opleveren. Onduidelijk is echter in hoeverre deze uitspraak ook van toepassing is op andere soorten hyperlinks, aangezien de rechtbank voornamelijk aansluiting zoekt bij de verschijningsvorm van de embedded link waarbij sprake was van een foto van de opname voorzien van het “play” symbool waarop de bezoeker slechts hoefde te drukken om het filmpje af te spelen. Doorslaggevend is volgens de rechter dat GeenStijl een ‘faciliterende en zelfs aanjagende rol heeft vervuld’ bij het bieden van toegang tot het betreffende filmpje.

De rode draad in de Nederlandse rechtspraak over de (on)rechtmatigheid van hyperlinks, waaronder de twee bovenstaande uitspraken, komt erop neer of de hyperlinker een faciliterende rol speelt in de verspreiding of het bieden van toegang tot de onrechtmatige content, waarvan hij weet of redelijkerwijs dient te weten dat deze onrechtmatig is.

EHRM Magyar Jeti/Hongarije

Een zaak waarin het voor de hyperlinker een minder voor de hand lag dat zijn hyperlink verwees naar onrechtmatige content is de zaak Magyar Jeti tegen Hongarije (EHRM 4 December 2018, nr. 11257/16). Die zaak draaide om de media-instelling Magyar Jeti die een populair Hongaars nieuwsportaal runt onder de naam 444.hu. Op 444.hu is op enig moment een hyperlink geplaatst naar een YouTube-video waarin kritiek werd geuit op  hooligans die vermeende connecties hadden met een rechtse politieke partij in Hongarije. Die politieke partij is gaan procederen tegen Magyar Jeti en stelde dat het plaatsen van de hyperlink naar de YouTube-video schadelijk was voor haar reputatie. De Hongaarse rechters hebben geoordeeld dat Magyar Jeti zelfstandig aansprakelijk is voor het doen van smadelijke uitlatingen vanwege het feit dat zij een hyperlink hadden opgenomen naar een webpagina waarop onrechtmatige uitlatingen werden gedaan (de video). Magyar Jeti is vervolgens naar het EHRM gestapt, aangezien de aansprakelijkheid een beperking vormt op haar vrijheid van meningsuiting (artikel 10 EVRM).

Bij beantwoording van de vraag of het hyperlinken naar onrechtmatige uitlatingen of content op zichzelf een onrechtmatige daad vormt in het licht van artikel 10 EVRM, neemt het EHRM tot uitgangspunt dat het internet van groot belang is voor de toegankelijkheid en de verspreiding van informatie. Hyperlinks spelen in dat verband een essentiële rol, aangezien hun doel het verwijzen naar andere webpagina’s is om zo internetgebruikers in staat te stellen door webpagina’s te navigeren. Volgens het EHRM wijken hyperlinks af van ‘normale uitlatingen’ op drie punten:

  • Hyperlinks wijzen internetgebruikers slechts op bepaalde content en verwijzen hen naar de content die ergens anders beschikbaar is, terwijl de hyperlinker niet zelf de inhoud van die webpagina meedeelt;
  • Degene die de hyperlink plaatst heeft geen controle over de content op de webpagina waarnaar hij linkt en deze content kan (zonder zijn weten) wijzigen;
  • Hyperlinks leiden naar uitlatingen die reeds openbaar zijn gemaakt en doorgaans al zonder restricties vrijelijk toegankelijk zijn voor het publiek.

Op grond van deze omstandigheden concludeert het EHRM dat het enkele plaatsen van een hyperlink niet gelijkstaat aan het verspreiden van lasterlijke informatie waarvoor de hyperlinker direct aansprakelijk kan worden gehouden. Of een hyperlink op zichzelf een onrechtmatige daad vormt moet beoordeeld worden aan de hand van een aparte beoordeling, waarbij onder meer gekeken moet worden naar de volgende omstandigheden:

  1. Heeft de hyperlinker de content onderschreven?
  2. Heeft de hyperlinker de content herhaald?
  3. Heeft de hyperlinker slechts een hyperlink naar de content opgenomen?
  4. Wist de hyperlinker of kon hij redelijkerwijs weten dat de content lasterlijk of anderszins onrechtmatig was?
  5. (in het geval van een journalist:) heeft de journalist gehandeld in goed vertrouwen met respect voor de journalistieke ethieknormen en heeft hij gehandeld als een verantwoorde journalist?

Het EHRM oordeelt vervolgens dat Magyar Jeti slechts een hyperlink naar de YouTube-video heeft geplaatst en de content niet heeft herhaald of onderschreven. Daarnaast gebruikte zij de hyperlink ook niet in een lasterlijke context. Tot slot overweegt het EHRM dat de hyperlinker niet wist of behoorde te weten dat de content onrechtmatig was, aangezien de video binnen de grenzen van het toelaatbare bleef en niet onrechtmatig was. Het ging hier niet om een situatie waarin vanaf het begin af aan duidelijk was dat sprake was van onrechtmatige content.

Conclusie

In feite wijkt het oordeel van het EHRM in Magyar Jeti/Hongarije niet bijzonder veel af van de rode lijn die te vinden is in de Nederlandse jurisprudentie over de (on)rechtmatigheid van de hyperlink. Centraal staat daarin dat de hyperlinker wist, althans redelijkerwijs had moeten weten, dat de content waar hij naartoe linkt onrechtmatig is en hij door het verstrekken van die link toegang tot die content faciliteert. Daarbij moet de onrechtmatigheid voor de hyperlinker overduidelijk zijn. Het EHRM voegt hier nog wel aan toe dat beoordeeld moet worden of de hyperlinker de onrechtmatige content heeft onderschreven, deze heeft herhaald of slechts de hyperlink heeft opgenomen. Indien slechts een hyperlink is opgenomen lijkt het EHRM weinig ruimte over te laten om te oordelen dat de hyperlinker onrechtmatig handelt. De uitspraak is daarmee gunstig voor (media-)instellingen die zich veelvoudig bezighouden met het hyperlinken naar content op andere websites, maar vormt ook een algemene waarschuwing in gevallen wanneer naar duidelijk onrechtmatige content wordt verwezen.