Het publiek van de ene tandartsenpraktijk is het publiek van de andere niet

Het Europese Hof van Justitie heeft in het Marco Del Corso arrest uit 2012 geoordeeld dat het ten gehore brengen van achtergrondmuziek in een tandartsenpraktijk geen auteursrechtelijke ‘mededeling aan het publiek’ is, aangezien deze muziek geen publiek bereikt. Recentelijk heeft de Rechtbank Amsterdam een uitspraak gedaan die lijnrecht tegen dit arrest lijkt in te gaan. De rechtbank overweegt dat patiënten in een tandartsenpraktijk wél een publiek kunnen vormen waardoor tandartspraktijken verplicht zijn licentievergoedingen te betalen.

 

Inleiding

Recentelijk heeft de Rechtbank Amsterdam in een zaak tussen de Koninklijke Nederlandse Maatschappij tot bevordering der Tandheelkunde (“KNMT”) en collectieve beheersorganisatie BUMA geoordeeld dat het ten gehore brengen van achtergrondmuziek in een tandartspraktijk een auteursrechtelijke ‘mededeling aan het publiek’ kan vormen. Deze uitspraak lijkt haaks te staan op het bekende arrest Marco Del Corso van het Europese Hof van Justitie (HvJEU 15 maart 2012, ECLI:EU:C:2012:140) waarin het HvJ juist oordeelde dat dergelijke muziek – in een tandartsenpraktijk – geen ‘publiek’ bereikt waardoor geen sprake is van een mededeling aan een publiek. De vraag is wat deze twee uitspraken betekenen voor de rechtspositie van tandartspraktijken (en andere kleinschalige praktijken) in Nederland en de plaats die beide uitspraken innemen in de complexe saga van het leerstuk van de mededeling aan publiek.

 

Het HvJ Marco del Corso arrest

In de zaak Marco del Corso stond de Turijnse tandartspraktijk Marco del Corso tegenover SCF, de Italiaanse collectieve beheersorganisatie voor de inning van gelden voor fonogramproducenten, over de vraag of de tandartspraktijk verplicht was een billijke vergoeding te betalen aan SCF voor het afspelen van achtergrondmuziek in de praktijk. Het HvJ stelde in deze zaak de vraag centraal of werken waren meegedeeld aan een publiek. Van een publiek is sprake wanneer het gaat om een (i) onbepaald aantal potentiële ontvangers (ii) dat niet beperkt is tot specifieke individuen die tot een bepaalde private groep behoren en (iii) een ‘vrij groot aantal personen’. Een te klein of onbeduidend aantal personen kwalificeert niet als een publiek.

Het HvJ concludeerde, op basis van een geïndividualiseerde beoordeling van de situatie van de tandartspraktijk, dat de patiënten van de praktijk van Marco del Corso normaliter een groep personen vormen die een stabiele samenstelling heeft en het dus een bepaald geheel van potentiële luisteraars betreft. Daarom gaat het niet om ‘personen in het algemeen’ en is het aantal personen dat toegang krijgt tot de werken doorgaans vrij beperkt en zelfs onbeduidend. De slotsom was dus dat de mededelingen geen ‘publiek’ bereikte waardoor de tandarts geen billijke vergoeding verschuldigd was aan SCF.

 

Feiten KNMT/BUMA

De KNMT, de collectieve belangenbehartiger voor Nederlandse tandartspraktijken, heeft naar aanleiding van het Marco Del Corso arrest waarschijnlijk haar kans schoon gezien om onder haar betalingsverplichting jegens auteursrechthebbenden uit te komen. Dit is te begrijpen aangezien het arrest korte metten lijkt te maken met de stelling dat een tandartspraktijk een mededeling aan het publiek verricht. BUMA, de collectieve beheersorganisatie die zich bezighoudt met het innen van vergoedingen voor openbaar muziekgebruik, zag dit echter niet zitten en bleef licentievergoedingen innen bij zo’n 420 Nederlandse tandartspraktijken. KNMT is vervolgens deze procedure tegen BUMA begonnen. Daarin vordert zij onder meer een verklaring voor recht dat alle tandartspraktijken geen vergoedingen verschuldigd zijn voor het afspelen van achtergrondmuziek in hun praktijk en een incasseringsverbod voor BUMA. KNMT legt aan haar vorderingen ten grondslag dat het afspelen van muziek in tandartspraktijken geen mededeling aan het publiek vormt, zoals volgt uit HvJ Marco Del Corso. BUMA stelt in deze procedure dat het HvJ in het arrest geen algemene regel heeft geformuleerd die geldt voor alle tandartspraktijken.

 

Mededeling aan een publiek?

Nadat de rechtbank heeft geoordeeld dat KNMT ontvankelijk is tot het instellen van de collectieve actie, komt zij toe aan de crux van de zaak: vormt het afspelen van achtergrondmuziek in een tandartspraktijk wél of geen mededeling aan het publiek? Bij de beantwoording van die vraag staat de rechtbank uitgebreid stil bij artikel 3 lid 1 van de Auteursrechtrichtlijn en de HvJ-jurisprudentie over de mededeling aan het publiek. Daarbij stelt de rechtbank voorop dat uit deze jurisprudentie blijkt dat rekening moet worden gehouden met ‘meerdere niet autonome en onderling afhankelijke, elkaar aanvullende criteria’. Deze vereisten komen erop neer dat sprake moet zijn van een tussenkomst waardoor het beschermde werk toegankelijk wordt gemaakt voor een nieuw publiek. Of aan al deze vereisten is voldaan moet beoordeeld worden aan de hand van een geïndividualiseerde beoordeling, waarbij gekeken moet worden naar het daadwerkelijke publiek van iedere individuele tandartspraktijk waar KNMT voor optreedt.

 

De ene tandartspraktijk is de andere niet

Zoals aangegeven heeft het HvJ Marco del Corso geoordeeld dat de patiënten in de tandartspraktijk van Marco del Corso geen publiek vormde. Daarbij overwoog het HvJ wel dat het in beginsel aan de nationale rechterlijke instanties is om te beoordelen of aan de vereisten van de mededeling aan het publiek is voldaan en om alle feitelijke vaststellingen te doen. Het HvJ meende in dit geval dat zij beschikte over alle (feitelijke) elementen die nodig zijn om te beoordelen of sprake is van een mededeling aan het publiek. Het HvJ lijkt zijn oordeel toe te spitsen op die specifieke tandartspraktijk en heeft het over ‘de patiënten van een tandarts als die in het hoofdgeding betreft’. De rechtbank gebruikt dit (feitelijke) voorbehoud als een kier om de zaak open te breken en concludeert dat de feitelijke aannames van het HvJ voor een doorsnee tandartspraktijk niet wegnemen dat er (Nederlandse) tandartspraktijken bestaan waar die aannames niet op van toepassing zijn en derhalve wél sprake is van een ‘publiek’. Het HvJ heeft de rechtbank deze ruimte gegeven aangezien hij heeft overwogen dat het in beginsel aan de nationale rechter is om te oordelen of  feitelijk sprake is van een ‘publiek’ en omdat het HvJ vereist dat de rechter een ‘geïndividualiseerde beoordeling’ maakt.

In dit geval oordeelt de rechtbank dat niet zonder meer kan worden vastgesteld dat (het publiek van) iedere tandartspraktijk in Nederland kan worden gelijkgesteld met (het publiek van) de tandartspraktijk van Marco del Corso. Zo kan volgens de rechtbank sprake zijn van schaalvergrotingen of kan de tandartspraktijk onderdeel zijn van een zorgcentrum met meerdere dienstverleners waarin de tandarts-patiënten een wachtruimte delen met patiënten van andere zorgverleners. In dergelijke gevallen is minder snel sprake van een onbeduidend aantal luisteraars en aannemelijker wordt dat wél een publiek wordt bereikt. De rechtbank concludeert dat zij onvoldoende feitelijke gegevens in handen heeft om een individuele beoordeling voor alle 420 tandartspraktijken in Nederland te maken, waardoor niet geconcludeerd kan worden dat in geen enkele praktijk een ‘publiek’ wordt bereikt. De conclusie is dan ook dat er geen verklaring voor recht voor alle tandartspraktijken kan worden afgegeven.

 

Gevolgen van deze uitspraak

Hoewel het vanwege de feitelijke aard van deze beslissing lastig is om de concrete gevolgen daarvan vast te stellen, gaat het te ver om te concluderen dat deze uitspraak het arrest Marco del Corso teniet doet voor Nederlandse tandartspraktijken. De rechtbank beslist immers niet meer dan dat per individuele tandartspraktijk moet worden vastgesteld op basis van alle feiten en omstandigheden (en een individuele beoordeling) of sprake is van een ‘publiek’ waaraan de mededeling wordt gedaan. Volgens de rechtbank is daarvan sneller sprake wanneer muziek wordt afgespeeld in een wachtruimte waar zich meer patiënten (van andere zorgverleners) bevinden, maar kan evengoed sprake zijn van een situatie waarin geen ‘publiek’ wordt bereikt gezien het beperkte aantal patiënten. Van dit laatste kan sprake zijn wanneer de tandartspraktijk vergelijkbaar is met de praktijk van Marco del Corso. De uitspraak biedt daarmee weinig concrete duidelijkheid en rechtszekerheid voor tandartspraktijken die willen weten of zij verplicht zijn om licentievergoedingen aan BUMA te betalen. Helaas geldt deze onduidelijkheid niet alleen voor tandartspraktijken, maar ook voor andere soorten praktijken met vergelijkbare wachtruimtes (bijvoorbeeld huisartsen, dierenartsen of kappers). De rechtbank heeft haar vingers mogelijk niet willen branden aan het geven van een concreet antwoord, met als gevolg dat de rechtsonzekerheid in de saga van het leerstuk van de mededeling aan het publiek blijft voortduren.