Al jarenlang bestaat discussie over de vraag of het embedden van auteursrechtelijke werken op het internet een auteursrechtinbreuk oplevert of niet. Recentelijk heeft de Rechtbank Amsterdam (Rb. Amsterdam 12 maart 2020, ECLI:NL:RBAMS:2020:1721) geoordeeld dat het feit dat een foto en een recept embedded waren op een website, niet in de weg staat aan het oordeel dat sprake was van een auteursrechtinbreuk. Als deze uitspraak gevolgd wordt, zou dit grote gevolgen hebben voor de mogelijkheid van het embedden van auteursrechtelijk beschermde content. In deze blog wordt besproken wat embedden precies is en hoe in de (Europese) rechtspraak tegen het embedden van auteursrechtelijk beschermde content wordt aangekeken.

 

Embedden vs. downloaden en uploaden

Voordat wordt ingegaan op de juridische consequenties van het embedden van auteursrechtelijk beschermde werken op het internet, is het belangrijk om te weten wat embedden precies inhoudt.

Het embedden (ook wel framen of inline linken) van content is, simpel gezegd, een techniek waarmee content die op website A beschikbaar is, wordt ‘ingebed’ op website B. De content wordt dus weergegeven op website B zonder dat een kopie wordt gemaakt van de content. Op website B wordt niet veel meer gedaan dan het verwijzen naar de content die op website A staat. Hiermee is ook direct de grootste beperking van embedden duidelijk. Wanneer namelijk de content van website A verwijderd wordt, betekent dat automatisch dat de content niet meer beschikbaar is op website B. De beschikbaarheid van de embedded content is daarmee altijd afhankelijk van de beschikbaarheid van de content die ingebed wordt. In principe is het mogelijk om alle vormen van digitale content (foto’s, muziek, filmpjes, tekst, social media berichten, formulieren etc.) op een website te embedden.

Een voorbeeld van een embedded video

Embedden is een ander technisch proces dan het downloaden en uploaden van content, aangezien bij downloaden een (offline) kopie wordt gemaakt van de content die ergens anders wordt opgeslagen dan op de server van website A. Deze kopie wordt vervolgens geüpload naar website B. Bij downloaden/uploaden wordt dus een kopie van de content openbaar gemaakt, waarvan de beschikbaarheid onafhankelijk is van de beschikbaarheid van de originele content. Als de content van website A wordt verwijderd, blijft de kopie op website B bestaan en beschikbaar. Vanwege deze reden is het downloaden en uploaden van beschermde content zonder toestemming of een van toepassing zijnde auteursrechtbeperking niet toegestaan onder het auteursrecht, zoals ook blijkt uit het arrest Renckhoff (overweging 30) van het Hof van Justitie.

 

Het embedden van auteursrechtelijk beschermd materiaal

Veel digitale content die online wordt gepubliceerd is auteursrechtelijk beschermd, aangezien die content onder het ‘werkbegrip’ valt. Een belangrijke vraag is dan ook in hoeverre het embedden van deze beschermde content, in tegenstelling tot het downloaden en uploaden daarvan, is toegestaan onder het auteursrecht.

Op basis van de Auteurswet en de Europese regelgeving heeft in principe alleen de auteursrechthebbende het recht om een auteursrechtelijk beschermd werk openbaar te maken. De vraag is dan ook of het beschikbaar stellen van werken op het internet door het embedden ervan, gekwalificeerd moet worden als een (online) openbaarmaking van die werken. Volgens het Svensson arrest van het Hof van Justitie is sprake van een online openbaarmaking als aan twee voorwaarden is voldaan: (i) er is sprake van een ‘handeling bestaande in een mededeling’ (ii) die gericht is aan een nieuw publiek. Bij embedden is vrijwel altijd voldaan aan vereiste (i) omdat het werk doorgaans (vrij) toegankelijk wordt gemaakt aan de bezoekers van de website waarop de embedded content te vinden is. Bij embedden is alleen vaak niet voldaan aan vereiste (ii), aangezien de content doorgaans al vrij toegankelijk is voor alle internetgebruikers op de website waarop de content in eerste instantie is geplaatst. Dat zorgt ervoor dat de rechthebbende met al deze internetgebruikers rekening hield toen hij toestemming gaf om de oorspronkelijke content beschikbaar te stellen. Er wordt dus geen ‘nieuw publiek’ bereikt door het embedden van die content. In dit verband bestaat er volgens het Hof van Justitie geen juridisch verschil tussen het hyperlinken naar en het embedden van content, zoals blijkt uit overweging 29 van Svensson en de Bestwater beschikking. In lijn met de Europese jurisprudentie heeft de Rechtbank Den Haag in 2017 bepaald dat Nederland.FM door het beschikbaar stellen van embedded radio streams geen openbaarmaking verricht omdat geen nieuw publiek werd bereikt.

Het uitgangspunt is dan ook, op basis van de besproken jurisprudentie, dat het embedden van content die vrij beschikbaar is op het internet, is toegestaan en geen auteursrechtinbreuk oplevert. Op dit uitgangspunt bestaan echter uitzonderingen, namelijk als toch een kopie van de content wordt gemaakt en die kopie wordt openbaar gemaakt (vgl. Renckhoff), als het gaat om illegale (zonder toestemming openbaargemaakte) content en de embedder daarvan op de hoogte is (vgl. HvJ GS Media, overweging 49), als met het embedden een toegangsbeperking (zoals een betaalmuur) wordt omzeild of als de originele content anderszins niet vrij beschikbaar is (vgl. Svensson).

In de eerdergenoemde zaak van de Rechtbank Amsterdam van 12 maart 2020 blijkt niet uit het vonnis dat één van deze omstandigheden zich voordeed. Daarbij moet wel opgemerkt worden dat het een korte en bondige uitspraak betreft. Het is dus niet zeker dat alle feiten en omstandigheden daarin zijn opgenomen. De conclusie dat ook content die embedded is, een auteursrechtinbreuk oplevert laat zich echter lastig rijmen met de Europese jurisprudentie. Desalniettemin heb ik begrip voor de uitkomst van deze zaak. Er is immers op uitgangspunt dat het embedden van beschermde content is toegestaan het nodige af te dingen. Bij veel vormen van embedded linken is het namelijk compleet onduidelijk dat het gaat om content die afkomstig is van een andere website en lijkt  het ‘eigen’ content te zijn. In zulke gevallen oogt het juridische onderscheid tussen het embedden en het uploaden van beschermde content kunstmatig. Daarnaast kan een partij die gebruikmaakt van embedded content verregaand profiteren van de content van anderen, aangezien websitebezoekers de content op zijn website kunnen bekijken en deze website niet hoeven te verlaten (zoals bij een hyperlink). Bovendien kan de embedder met het trekken bezoekers advertentie-inkomsten vergaren, terwijl de rechthebbende websitebezoekers misloopt en voor dit gebruik niet betaald wordt. In dat geval profiteert de embedder van de intellectuele inspanningen van een ander ten koste van die ander, hetgeen onrechtvaardig kan zijn.

 

Kan het embedden van content anderszins onrechtmatig zijn?

Bij het embedden van content kan sprake zijn van een schending van persoonlijkheidsrechten indien de content wordt ‘verminkt’, dat wil zeggen bijgesneden, vervormd of aangepast. In dat geval kan sprake zijn van een onrechtmatige daad, ondanks het feit dat geen sprake is van een auteursrechtinbreuk.

Het is daarnaast goed mogelijk dat door het embedden van content een inbreuk wordt gemaakt op andere (intellectuele) eigendomsrechten, zoals het merkenrecht. Indien bijvoorbeeld content wordt ingebed waarin het merk van een bedrijf is opgenomen en daardoor verwarring bij het publiek kan ontstaan, kan het embedden van die content een merkinbreuk vormen en zodoende onrechtmatig zijn.

Tot slot wijs ik op een uitspraak van de Rechtbank Amsterdam uit 2018 in de zaak over het expliciete filmpje van Patricia Paay. Daarin oordeelde de rechtbank dat het plaatsen van een embedded link gelijkgesteld moet worden aan een hyperlink, wanneer beoordeeld wordt of het plaatsen van zo’n link onrechtmatig is. In die zaak ging het niet zozeer over de vraag of het plaatsen van het filmpje een auteursrechtinbreuk was, maar of Geenstijl, door het plaatsen van het filmpje, een onrechtmatige daad tegenover Paay had gepleegd. Wat deze uitspraak duidelijk maakt is dat een partij die content embedded, aansprakelijk kan worden gesteld wanneer het plaatsen van die content een onrechtmatige daad jegens een ander oplevert. Dit kan bijvoorbeeld het geval zijn wanneer daarmee een inbreuk wordt gemaakt op iemands privéleven. In dit verband kan de embedded content op één lijn worden gesteld met een hyperlink naar die content. Voor een antwoord op de vraag wanneer een hyperlink een onrechtmatige daad kan opleveren, verwijs ik naar onze blog ‘De hyperlink als onrechtmatige daad’.